Josef Luns

Ieder mens heeft recht op zijn tekortkomingen, maar een minister mag je er op afrekenen. In een goed functionerende democratie is dat zelfs een verplichting. In de krantenstukken die verschenen na het overlijden van Joseph Luns domineerde de vergoelijkende toon. Wat was hij aardig en wat vertelde hij rake anekdotes! Nieuw-Guinea was natuurlijk een niet zo handig aangepakt dossier en verder hield de minister zijn steun aan de Amerikaanse oorlogvoering in Vietnam wat al te lang vol. Maar per saldo mocht Nederland trots zijn op deze zo goed bij ons volkskarakter passende politicus, die het op durfde te nemen tegen Charles de Gaulle (!) en het toch maar schopte tot Secretaris-Generaal van de NAVO (1971-1984).

        De tijd knaagt aan alle reputaties, ook de negatieve, zo blijkt. Nog niet zo lang geleden gold Luns als veel meer passé. Duidt de meer neutrale waardering die hem bij zijn dood ten deel viel op eerherstel, of is er eerder sprake van gebrek aan belangstelling? Is Luns door het verstrijken van de tijd een man geworden die slechts een waterig soepje van een necrologie verdient? Waar zijn de commentatoren gebleven die vroeger het schuim op de lippen kregen als ze over Luns spraken?
        Luns was aardig. Als scholier schreef ik hem ooit een onbeholpen briefje met het verzoek zich op onze – ook zijn vroegere – school te verantwoorden voor zijn beleid, eigenlijk in de verwachting nooit iets van hem te zullen horen. Dat bleek buiten diens temperament gerekend. Helaas was hij verhinderd, schreef de minister allerkeurigst terug; maar zouden we ooit nog eens een beroep op hem doen...
        De in 1911 geboren Luns werd in 1952 minister van Buitenlandse Zaken en zou dat negentien jaar blijven. De eerste vier jaar moest hij de functie delen met J.W. Beyen. Joseph bleek er echter de man niet naar om de autoriteit van het ministerschap (of van wat dan ook) voor slechts vijftig procent te begeren. Derhalve hingen er vier jaar lang stofwolken in de gangen van het departement. Daarna had hij het vijftien jaar lang alleen voor het zeggen. Noch op het ministerie, noch in het kabinet, noch in de Kamer liet hij zich door anderen de wet voorschrijven.
        Dat hij zo rustig zijn gang kon gang, zegt natuurlijk net zo veel over zijn bangelijke tegenstanders als over Luns zelf. Met een monddode Tweede Kamer kan Nederland inmiddels niet meer leven. Waarom dan wel, en dan nog zo royaal, met vertederde herinnering aan een man die Frankrijk de voet dwars zette inzake het plan-Fouchet, maar bij datzelfde Frankrijk moest bedelen om een ankerplaats voor de Karel Doorman op de rede van piepkleine eilandjes in de Stille Oceaan? Die uit pure stijfkoppigheid Nederland een werkbare relatie met zijn vroegere kolonie Indonesië voor eeuwig ontzegde? Die zijn hoge functie bij de NAVO nuchter beschouwd te danken had aan het braaf achter Amerika aanhobbelen, ook toen dit land zich dag in, dag uit moreel (én uit het oogpunt van raison d’état) blameerde in Vietnam?
        Ik zou het niet weten.

Doeko Bosscher is hoogleraar eigentijdse geschiedenis aan de
Rijksuniversiteit Groningen
.