Stel je voor dat er geen hemel is


Stel je voor dat er geen hemel is.

Een brief aan de zes miljardste wereldburger.


essay

Salman Rushdie

Lief Zes Miljardste Levend Wezentje,

Als nieuwste lid van een berucht weetgierige species, zul je waarschijnlijk binnen niet al te lange tijd twee jackpotvragen stellen waar wij, de andere 5.999.999.999 mensen, al enige tijd mee worstelen: hoe zijn we hier gekomen? En nu we hier zijn, hoe moeten we leven?

Vreemd genoeg – alsof wij met z’n zes miljard niet genoeg zijn om het mee te redden – zal bijna zeker worden gesuggereerd dat je het antwoord op de vraag naar je oorsprong moet geloven in het bestaan van nog een ander, onzichtbaar, onzegbaar Wezen ‘ergens daarboven’, een almachtige schepper die wij arme beperkte schepsels niet eens kunnen waarnemen, laat staan begrijpen. Dat wil zeggen dat je krachtig zal worden aangemoedigd je een hemel voor te stellen, met minimaal één residerende god. Deze hemelgod, wordt gezegd, maakte het universum door de materie in een enorme pot te roeren. Of hij danste. Of hij braakte Schepping uit zichzelf. Of hij noemde het gewoon tot bestaan en ziedaar, het Was. In een paar van de interessante scheppingsverhalen is die ene machtige hemelgod onderverdeeld in vele kleinere krachten – mindere godheden, avatars, gigantische metamorfe ‘voorouders’ wier avonturen het landschap scheppen, of de grillige, lichtzinnige, knoeiende, wrede pantheons van de grote polytheïsmen die je er met hun wilde acties van zullen overtuigen dat de ware motor achter de schepping begeerte was: naar oneindige macht, naar te-makkelijk-gebroken mensenlichamen, naar wolken van roem. Maar het is niet meer dan eerlijk eraan toe te voegen dat er ook verhalen zijn die de boodschap brengen dat de eerste scheppende impuls liefde was, en is.

Veel van deze verhalen zullen je ongelooflijk mooi in de oren klinken, en daarom verleidelijk zijn. Maar helaas zal er geen zuiver literaire reactie van je worden verwacht. Alleen de verhalen van ‘dode’ godsdiensten kunnen om hun schoonheid worden gewaardeerd. Levende godsdiensten verwachten veel meer van je. Dus zal je verteld worden dat geloof in ‘jouw’ verhalen, en deelname aan de rituelen van aanbidding die daaromheen zijn ontstaan, een vitaal onderdeel moeten gaan vormen van je leven in de overvolle wereld. Ze zullen de kern van je cultuur worden genoemd, zelfs van je individuele indentiteit. Het is mogelijk dat ze op een gegeven moment onontkoombaar zullen lijken, niet op de manier waarop waarheid onontkoombaar is, maar op de manier waarop een gevangenis dat is. Het kan gebeuren dat ze op een zeker moment niet meer aanvoelen als teksten waarin mensen hebben geprobeerd een groot mysterie op te lossen, maar eerder aanvoelen als voorwendsels waarmee andere, naar behoren gezalfde mensen je rond kunnen commanderen. En het is waar dat de menselijke geschiedenis vol is van openbare onderdrukking, tot stand gebracht door de wagenmenners van de goden. Maar volgens religieuze mensen compenseert de privétroost van godsdienst meer dan genoeg het kwaad dat in zijn naam wordt gedaan.

Naarmate de kennis van de mens groeide, is ook duidelijk geworden dat elk religieus verhaal dat ooit verteld is over de manier waarop we hier terechtkwamen gewoonweg fout is. Dat is iets wat alle godsdiensten gemeen hebben. Ze hadden het mis. Er was geen hemels karnen, geen dans van de maker, geen braken van de sterrenstelsels, er waren geen slangen of kangoeroevoorvaderen, geen Walhalla, geen Olympus, geen zesdaagse bezweringstruc, gevolgd door een dag rust. Fout, fout, fout. Maar er is iets geks aan de hand. De foutheid van de heilige verhalen heeft de ijver van de gelovigen niet in het minst verminderd. Door de buitensporige idiotie van godsdienst zijn de religieuzen hooguit nog feller op het belang van blind geloof gaan hameren.

Overigens is het als gevolg van dit geloof in veel delen van de wereld onmogelijk gebleken om te voorkomen dat het menselijke ras angstaanjagend in omvang groeide. Wijt de overbevolking van de planeet ten minste gedeeltelijk aan de misleidheid van de geestelijke gidsen van het ras. Tijdens je leven zul je misschien getuige zijn van de komst van de negenmiljardste burger. Als je Indiër bent (en de kans daartoe is een op zes) zul je nog meemaken dat de bevolking die van China voorbijstreeft, dankzij het mislukken van de gezinsplanningsprojecten in dat arme, van God vergeven land. En als er te veel mensen geboren worden, gedeeltelijk ten gevolge van religieuze restricties tegen geboortebeperking, dan zullen er ook te veel mensen sterven omdat religieuze cultuur, door te weigeren de feiten van menselijke seksualiteit onder ogen te zien, ook weigert te vechten tegen de verspreiding van seksueel overdraagbare ziekten.

Er zijn mensen die zeggen dat de grote oorlogen van de nieuwe eeuw opnieuw godsdienstoorlogen zullen zijn, jihads en kruistochten, net als in de Middeleeuwen. Ik geloof hen niet, tenminste niet op de manier die zij bedoelen. Kijk maar eens naar de moslimwereld, of liever gezegd de islamitische wereld, om het woord te gebruiken dat is verzonnen om de huidige ‘politieke arm’ van de islam te beschrijven. De tegenstellingen tussen de grote machten (Afghanistan versus Iran versus Irak versus Saudi-Arabië versus Syrië versus Egypte) lopen het meest in het oog. Er is weinig dat lijkt op een gemeenschappelijk doel. Zelfs toen de niet-islamitische NAVO een oorlog had gevochten voor de Albanese moslims in Kosovo, stond de moslimwereld niet te trappelen om de broodnodige humanitaire hulp te bieden.

De echte godsdienstoorlogen zijn oorlogen die godsdiensten ontketenen tegen gewone burgers binnen hun ‘invloedssfeer’. Er zijn oorlogen van goddelijken tegen grotendeels weerlozen – Amerikaanse fundamentalisten tegen artsen die voor abortus zijn, Iraanse mullah’s tegen de joodse minderheid in hun land, de Taliban tegen het volk van Afghanistan, hindoefundamentalisten in Bombay tegen de steeds angstiger moslims in die stad

De overwinnaars in die oorlog moeten niet de geborneerden zijn die als altijd met God aan hun zijde ten strijde trekken. Kiezen voor ongeloof betekent geest boven dogma verkiezen, op onze menselijkheid vertrouwen in plaats van op al die gevaarlijke godheden. Dus, hoe zijn we hier beland? Zoek het antwoord niet in de verhalenboeken. Onvolmaakte menselijke kennis mag dan een hobbelige straat vol kuilen zijn, het is de enige weg naar wijsheid die de moeite waard is. Vergilius, die geloofde dat de imker Aristaeus spontaan nieuwe bijen kon genereren uit het rottende karkas van een koe, was dichter bij de waarheid over onze oorsprong dan al die vereerde oude boeken.

De oude wijsheden zijn moderne nonsens. Leef in je eigen tijd, gebruik wat we weten, en als je opgroeit zal het menselijk ras misschien eindelijk met jou opgroeien en kinderachtige dingen opzij schuiven. Zoals het liedje zegt: ‘It’s easy if you try’.

Wat sterfelijkheid betreft, de tweede grote vraag – hoe moet je leven? Wat is goed handelen, en wat is verkeerd? -, het komt neer op je bereidheid zelfstandig te denken. Jij alleen kunt besluiten of je wilt dat je de wet voorgeschreven krijgt door priesters en aanvaardt dat goed en kwaad op de een of andere manier buiten onszelf bestaan. Godsdienst, zelfs in zijn meest intellectualistische vorm, infantiliseert volgens mij in wezen ons ethische ik door onfeilbare morele Arbiters en hopeloos immorele Satans boven ons te stellen; de eeuwige vaders, goed en slecht, licht en duister, van het bovennatuurlijke rijk.

Hoe moeten we dan ethische keuzes maken zonder een goddelijk voorschriftenboek of rechter? Is ongeloof uitsluitend de eerste etappe in een langzaam afglijden naar de hersendood van cultureel relativisme, waarmee veel onverdraaglijke dingen – vrouwenbesnijdenis, om maar iets te noemen – worden vergoelijkt op cultureel bepaalde gronden, en ook de universaliteit van mensenrechten ontkend kan worden? (Dit laatste staaltje van morele afbraak heeft aanhangers in een aantal van de meest autoritaire regimes van de wereld en ook, verontrustend genoeg, op de opiniepagina’s van de Daily Telegraph).

Nee, dat is het dus niet, maar de redenen om dat te zeggen zijn niet zo helder omlijnd. Alleen ideologie van de harde lijn is helder omlijnd. Vrijheid, het woord dat ik gebruik voor het seculair-ethische standpunt, is onvermijdelijk vager.

Ja, vrijheid is die ruimte waarin contradicties kunnen heersen., het is een oneindig debat. Het is op zich niet de kwestie van de moraal, maar het gesprek over die kwestie.

En het is veel meer dan louter relativisme, omdat het niet louter een oneindige kletswinkel is, maar een plek waar keuzes worden gemaakt, waarden worden verwoord en verdedigd. Intellectuele vrijheid heeft in de Europese geschiedenis meestal vrijheid van de beperkingen van de Kerk, niet die van de Staat, betekend. Dat is het gevecht dat Voltaire aanging, en dat is ook wat we met z’n zes miljarden voor onszelf zouden kunnen doen, de revolutie waarin elk van ons zijn kleine, zes miljardste aandeel zou kunnen hebben: we zouden voorgoed kunnen weigeren om priesters, en de verdichtsels uit naam waarvan zij spreken, te accepteren als politieagenten van onze vrijheden en ons gedrag. We zouden de verhalen voorgoed terug kunnen stoppen in de boeken, de boeken terug kunnen zetten op de plank en de wereld onverbloemd en zonder dogma’s kunnen zien.

Stel je voor dat er geen hemel is, lieve zes miljardste, dan zijn de mogelijkheden onbegrensd.


(c) Salman Rushdie – Juli 1997
Dit is een fragment uit het boek van Salman Rushdie, De Grens Over, Uitgeverij Contact, 2003. Voor een bespreking van het boek klik hier.

Salman Rushdie

Salman Rushdie